Blog

Camí de Cavalls (4): Cala Tirant – El Pilar – Ferreries

Ik voel me, na de blarenrustdag gisteren, weer top en het belooft een mooie, zonnige dag te worden. Ik pak mijn blaren zorgvuldig in en neem vroeg de bus naar Fornells, met een overstap in Es Mercadal. Fornells bestaat uit een resem kleinere badplaatsjes aan de noordoostkust van Menorca. De meest westelijke daarvan is Cala Tirant, waar mijn tocht vandaag begint. Het plan is om de ruige noordkust af te wandelen in westelijke richting. Tot waar? Plan A is om te wandelen tot de eerste plek van waar ik de bus terug kan nemen: het strand van Algaiarens, waar ik gisteren mijn korte wandeling eindigde. Dat is 31 kilometer ver, en daar heb ik een kleine 10 uur de tijd voor. Mijn reisgids rekent eerder een goeie 11 uur (met pauzes). Omdat ik onderweg net als altijd graag eens stop of een duik in de zee neem, lijkt mijn plan B waarschijnlijker: dan wandel ik tot Cala Pilar, en keer ik te voet terug naar mijn huisje in Ferreries. Dan moet ik geen rekening houden met het halen van de bus.

Om 9 uur stap ik over het zandstrand van Cala Tirant, ga een riviertje over dat hier in een groen en nat vogel- en natuurgebiedje in zee uitmondt, en volg de ongerepte kust naar het noorden langs een reeks rotsige baaien, in de richting van de Cap de Cavalleria, het noordelijkste punt van Menorca.

Ik heb zicht op de vuurtoren op de kaap, maar de GR223 loopt niet tot daar: dat zou zes kilometer extra betekenen, vooral op de asfaltweg. Het pad steekt het schiereiland over tussen velden met bloemen en luchten met roofvogels, volgt toch een stuk de asfaltweg, en komt dan terug aan de kust aan de overkant van het schiereiland. Een prachtig zicht op het vervolg van mijn tocht. Al snel kom ik aan het uitgestrekte zandstrand Platja de Cavalleria. Het ligt prachtig in een baai met lage rode rotsen. Normaal daal je naar het strand af op houten trappen, maar die zijn ze nu aan het herstellen en ik moet wat verderop naar beneden. Het strand is nog bijna leeg. Ik rust er een halfuurtje uit en ga even in zee. Intussen komen er al wat bezoekers aan.

Van hieruit loopt een aarden pad voortdurend dichtbij de zee over de lage rotsen, met zicht op de volgende stukken kust.

Het volgende grotere strand dat in zicht komt, is Cala Binimel.là. Daar staan zowaar een paar gebouwen, en in het hinterland ligt landbouwgrond. Kort voor Binimel.là loopt de Camí dwars over een door de rotsen beschut strandje. Ik kan het niet laten en duik ook hier weer de zee in. Wanneer ik in het heldere water niet alleen visjes zie voorbijkomen, maar ook een roedel kwallen, houd ik het toch maar snel voor bekeken.

De zijkant van het strand van Binimel.là ligt vol posidonia, een plant die in zee groeit met langwerpige, wat rechthoekige bladeren, die elk jaar ‘afvallen’ en zo naar de stranden worden gespoeld, waar ze zich soms in hoge bermen opeenstapelen. Het is een wat vreemd zicht, maar ze beschermen de stranden ook tegen erosie, een groot probleem voor de stranden in Menorca. Er is nogal wat strijd tussen milieu-organisaties en de toeristische sector, die instagramwaardige stranden wil zonder posidonia.

De wandeling naar Cala Pregonda die daarop volgt gaat over rode aarde, die regelmatig van tint wisselt. Ze leidt naar de kleurige rotsen in en om Cala Pregonda, een van Menorca’s topbestemmingen. Op dit stuk van het pad is dan ook veel meer volk dan gewoonlijk.

De combinatie van grillige, vreemde rotsen en eilandjes, aarde en zand in allerlei tinten geel en rood, de zee en het strand, de duinen en bloemen in het hinterland is dan ook prachtig.

Na Cala Pregonda loopt de Camí de Cavalls zachtjesaan het binnenland in, door een bos en velden, opnieuw tussen bloemen en op rode aarde.

Het pad komt uit in de stille, rotsige baai van Cala Barril, met een eilandje aan het uiteinde van de inham.

Vanaf hier krijgt het pad een meer bergachtig karakter. Het klimt de heuvels op, wordt een hobbelig rotspad, maar blijft dicht bij de kust, die hier kaal en rotsachtig is. Prachtige panorama’s.

Wat verder daalt het af naar de onherbergzame Cala en Calderer. Ik rust wat uit in de schaduw van een rots en eet mijn lunch.

Het pad stijgt daarna uit de baai en gaat vervolgens nog een stuk op en neer langs de kust. Dan gaat het sterk stijgend landinwaarts, om daar dan de golvende heuvels te volgen. Ik passeer een barraco de bestiar, een kegelvormige schuilhut voor het vee, gemaakt van drooggestapelde stenen.

De GR223 gaat hier op en neer door het groene binnenland en daalt uiteindelijk af naar de stenige baai Els Alocs, waar een naakt koppel zit te zonnen.

Van hieruit kan je het binnenland in richting Ferreries, 8 km verder. Maar ik loop nog een kilometer door naar Cala Pilar, een groot strand met grof, roodachtig zand en rode rotsen er omheen. Hier zijn best wat mensen; het is dan ook een ronduit prachtige plek.

Het is halfvier en ik ben perfect op schema voor mijn plan A, om nog tot Algaiarens te stappen en daar de bus te nemen. Maar het is hier zo mooi en zo’n ideaal zwemweer dat ik na een tijdje besluit om toch maar voor plan B te gaan en straks naar Ferreries te wandelen. Dat is even lang, maar zo kan ik hier langer blijven. Na een dikke twee uur vertrek ik weer.

Ik keer terug naar Els Alocs, waar een merkwaardig monument staat voor de 400ste verjaardag van Cervantes’ Don Quixote.

Ik loop het binnenland in en passeer halverwege nog aan een verlaten schooltje waar ik nog even in rondneus.

De laatste paar kilometer volgen helaas de drukke hoofdweg van het eiland. Maar dat kan weinig afdoen van de pracht van deze etappe. 32 kilometer vandaag, oef! ♦

Camí de Cavalls (3): Ciutadella & Cala Morell – Algaiarens

Veruit de kortste wandeldag vandaag, want tot mijn grote spijt heb ik een paar pijnlijke blaren opgelopen gisteren. Snel doorstappen op het asfalt breekt me nu zuur op, net als het thuislaten van mijn trouwe wandelschoenen voor een meer zomers paar waar ik normaal ook goed in zit. Compeed to the rescue dus. Maar alleen al de trappen aflopen in mijn huisje in Ferreries doet pijn en er zit dus niet veel anders op dan mijn voeten wat rust te gunnen vandaag. Dus hou ik het bij een bezoek aan Ciutadella, de mooie, vroegere hoofdstad van het eiland, en een korte wandeling van een achttal kilometer aan de noordkust.

DSCF5165

Ciutadella is de stad aan de westkust van Menorca; de grootste stad, Maó, ligt aan het andere uiteinde van het land. Ciutadella was een belangrijke havenstad in de middeleeuwen, werd verwoest door de Turken in de zestiende eeuw, en werd heropgebouwd in de zeventiende eeuw, waardoor het oude centrum er homogeen uitziet; het lijkt een beetje Italiaans. Een aangenaam stadje om wat in rond te dwalen.

Na de middag neem ik een bus naar Cala Morell, een van de weinige dorpjes aan de noordkust. Via een chique villawijk loopt de Cami de Cavalls naar het oosten een hele tijd rechtdoor, met rechts een lange muur van drooggestapelde stenen, en links struikgewas op een rotsig plateau en daarachter de zee.

Het niet eens zo hobbelige pad stelt mijn voeten (en mijn blaren) eerst op de proef, maar na een tijdje heb ik niet veel last meer van de blaren. De vlakte geeft uitzicht op baaien en rotsige kapen, en na een tijdje komt de weergaloze inham van Codolar de Biniatram in zicht.

Het pad komt hier weer aan de kust zelf. Na een wat bewolkte voormiddag is er nu volop zon en dan kleurt de zee in Menorca prachtig turquiose. Mooi contrast met de rotsen, de bloemen en het groen langs de kust.

P1070410

Het pad stijgt wat en rondt de kaap van Punta Blanca, vanwaar de zandstranden van Algaiarens en Es Bot te zien zijn, mijn eindbestemming voor vandaag.

De GR223 volgt eerst de kleine, rotsige inham Cala Fontanelles, en loopt via een bebost pad het binnenland in om bij een parkeerplaats uit te komen. Daar heb ik straks ook mijn bus. Omdat ik een van de volgende dagen toch nog op deze plek terugkom (en opnieuw de bus zal nemen), loop ik nu niet naar het strand van Algaiarens zelf, maar stap in nog door tot het kleinere strand van Es Bot. Ook dat pad gaat niet langs de zee maar door het hinterland, dit keer langs graanvelden. Op het strand mondt een meanderend riviertje uit in zee.

Na een dik halfuur vertrek ik terug, dezelfde weg terug naar de bus, die me weer richting Ciutadella brengt.

Morgen staat, eindelijk, de koninginnenetappe langs de noordkust op het programma. ♦

Camí de Cavalls (2): Cala Galdana – Binigaus

dag2

Zondag vandaag, en ondanks de voorbereidingen vooraf heb ik daar eigenlijk te weinig rekening mee gehouden. Het busverkeer is vooral beperkt tot de hoofdas tussen Ciutadella en Maó, wat de wandelmogelijkheden langs de kust aanzienlijk beperkt. Vanuit mijn huisje in het centrum van Ferreries ga ik dan maar te voet richting Cala Galdana, een badplaatsje aan de zuidkust in een mooie hoefijzervormige baai die – atypisch voor Menorca – helaas verpest wordt door een paar gigantische appartementsblokken. Ik stap snel door om de asfaltweg achter me te laten en een uur later, kort voor Cala Galdana, daal ik via een bos af richting Cala Mitjaneta. Dat behoort een minuscuul strandje te zijn, maar het is vloed en er zijn bijna alleen rotsen te zien.

Het is bewolkt en er is bijna niemand, net als op het even verderop liggende grotere, diepe strand van Cala Mitjana. Daar rust ik even uit; er komen wel wat mensen aan die nog vol optimisme aan hun stranddag beginnen, maar echt strandweer is het vooralsnog niet.

Via een trapje klim ik uit de baai. Hier gaat de GR223 landinwaarts tot aan het strand van Binigaus, 8 kilometer verderop. Mijn bedoeling is om die route te doen, en dan terug te keren via een (ook aangeduide) pad dat wel dicht langs de kust loopt en onderweg enkele strandjes aandoet.

De Camí loopt in dit stuk door dichte bossen en langs muurtjes en poortjes, en daalt dan af naar een stukje open vlakte waar twee barranco’s, diep uitgesneden beekvalleien, samenkomen. Het pad volgt de vallei even en klimt daarna het bos weer in.

In een volgende vallei moeten grote steenblokken helpen om het modderige pad te omzeilen; nu ziet het er een beetje potsierlijk uit.

Het volgende stuk bos is erg weelderig en dichtbegroeid, niet meteen wat je met Menorca zou associëren.

Uiteindelijk draait de route richting de kust en komt ze uit aan het mooie zandstrand van Binigaus. Ondanks het bewolkte weer zijn hier wel wat mensen, al dan niet met iets aan. Het strand loopt geleidelijk af in zee en is populair bij families. Achter het strand liggen lage, rode rotsen en wat duinen.

Ik rust wat uit en besluit om mijn plannen wat te wijzigen. Ondanks een voorzichtige opklaring blijft het toch erg bewolkt en ik ga liever door het binnenland terug richting Ferreries dan langs de zee. De baaitjes langs de kustroute zijn prachtig turquoise als de zon schijnt, maar vandaag zit dat er duidelijk niet in; ik hoop het kustpad later op de week nog te doen. Vanaf het strand van Binigaus loop ik de barranco in, een bebost pad met rotsen opzij.

Ik kom langs de redelijk indrukwekkende Cova des Coloms, de grootste grot van Menorca, 25 meter hoog en zo’n 100 meter lang.

Vanaf daar loopt een soort natuurleerpad en langs velden naar het dorpje El Mitjorn Grán, vanwaar ik helaas voor de tweede keer een zes à zeven kilometer asfalt onder mijn schoenen geschoven krijg, tot in Ferreries.

Dat dat niet het beste idee was – 26 kilometer waarvan meer dan de helft langs de autoweg – zal morgen blijken. ♦

Camí de Cavalls (1): Cala en Porter – Binibeca Vell

Ik wandelde eind mei 2018 stukken van de Camí in een wat chaotische volgorde. In 2006 was ik al eens een week op Menorca geweest. Hoewel de Camí toen nog niet officieel was hersteld, wandelde ik er al stukken van, voornamelijk aan de goed bereikbare zuidkust, en ook van Mao tot voorbij Es Grau aan de oostkust. Verder bezocht ik toen onder meer Ciutadella, de prachtige vroegere hoofdstad van Menorca, en een paar megalithische sites in het binnenland.

Deze keer wilde ik vooral wandelen langs de noord- en oostkust. Ik overnachtte vier dagen in een appartement in Ferreries in het binnenland, en drie nachten in een hostal in Maó (of Mahón – respectievelijk Catalaans en Spaans).

Omdat ik een vroege vlucht had, heb ik nog een hele dag voor me. Ik neem de bus naar hoofdstad Maó en dan naar het badplaatsje Cala en Porter aan de zuidkust. Vandaar loop ik oostwaarts tot het helwit gekalkte vissersdorpje Binibequer Vell. Een korte etappe van 14 kilometer, want straks neem ik een bus terug naar Maó en dan naar Ferreries, waar ik een appartementje heb gehuurd.

dag1

Op dit stuk loopt de Camí grotendeels door het rurale binnenland, weliswaar parallel met de kust.  Vanuit het weinig inspirerende Cala en Porter, waar ik nog inkopen doe voor de eerste dag – eten, water en zonnecrème – kom ik meteen op de Camí de Cavalls. Die steekt een kloof over, een van de vele (vaak droge) rivierbeddingen die op Menorca vanuit het binnenland noord- of zuidwaarts naar zee lopen. Ik maak kennis met de houten, vanzelf dichtvallende poortjes die je overal op de Camí terugvindt, en met de buitengewoon goeie wegmarkering van de GR223.

Na korte tijd ga ik even van de Camí af om wél naar de zee te gaan, meer bepaald naar Cales Coves, een reeks inhammen met een honderdtal grotten in de rotswanden, die in de prehistorie als necropool werden gebruikt en in de jaren zestig door hippies voor love en peace en goedkope overnachtingen. Nu liggen er vooral chique zeiljachten en bedelen een paar zwerfkatten om stukjes van mijn picknick.

Terug op de GR223 brengt de weg me door bosjes, stenige vlaktes, en bloemenweides door het meestal vlakke binnenland achter de kust, vaak langs muurtjes en langsheen een paar herenboerderijen.

Tussendoor een vakantieplaatsje en een stuk asfaltweg dat ik aan een hoog tempo achter me laat. Ik verlaat de route weer even om tot aan de zee te lopen, naar de kleine inham van Biniparratx. Daar ga ik even de zee in en eet ik iets.

Het vervolg van de Camí de Cavalls ligt nu meer in de bebouwing, maar op einde van de etappe is er nog een leuk stukje over de rotsen langs de zee en mijn route eindigt in het merkwaardige, zeer witte dorpje Binibiquer of Binibeca Vell.

In de jaren zestig werd het dorpje op een landtong gebouwd als een toeristisch vissersdorpje in de stijl van het eiland; een beetje om aan te tonen dat je toeristen niet per se moest lokken met kusten vol lelijke hoogbouw zoals elders in Spanje. De huisjes zijn verblindend wit, de straatjes nauw, de lijnen natuurlijk gebogen.

Eigenlijk is het dorpje, ondanks zijn kunstmatig karakter, best geslaagd. En hoewel het een topbestemming is voor dagjestoeristen, wonen er eigenlijk gewone mensen, die liever hebben dat het stil is en niet iedereen voortdurend hun huis binnen kijkt. ♦

 

 

Dag 7: Van San José naar de Cabo de Gata

Vandaag wandel ik, via de luchthaven van Almería weliswaar, terug naar huis.

Ik stap vanuit San José via de gewone (nu ja, halfverharde) weg richting stranden van Monsúl en Media Luna, het verste punt van mijn wandeling gisteren. Dat is korter, een vijftal kilometer tot Monsúl: ik heb straks een bus en een vliegtuig te halen.

Het is wat fris en winderig deze ochtend en de stranden liggen er grotendeels verlaten bij.

IMG_0830

Vanaf een parkeerplaats loopt een pad naar de volgende inhammen: de naast elkaar gelegen Cala Chicré en Cala Carbón. Beide zijn helemaal verlaten. Cala Chicré bestaat uit kale rotsen en een klein zandstrandje; Cala Carbón ligt tussen rode en witte rotsen, met een strand van ronde, rode keien.

Ik eet er wat en klim terug naar de brede weg die richting de kaap en de vuurtoren van Cabo de Gata leidt. De weg slingert af en toe het binnenland in om de dieptes te omzeilen van de barranco’s, de kloofjes die richting kust lopen.

IMG_0870

Bij de oude uitkijktoren Torre de la Vela Blanca verandert de weg in asfalt. Er volgen haarspeldbochten en mooie uitzichten op de kust. Bij een parkeerplaats daalt een pad af naar Cala Rajá, een merkwaardige inham tussen rood-witte rotsen. Uitzicht op El Dedo, een rots in zee in de vorm van een vinger (aldus de naam), of van het monster van Loch Ness, dat kan ook.

Via een vaag pad loop ik verder over de rotsen langs de kust, zodat ik de weg even vermijd. Dat brengt met uiteindelijk bij het zuidelijkste punt van Cabo de Gata, Punta Baja, en het strand Cala Arena, dat er net naast ligt. Hier eet ik voor middag tegen de lage rotswand; het waait nog altijd.

Een klein stukje verderop ligt de vuurtoren van Cabo de Gata en de mooie rotsen Arrecife de las Sirenas in zee er vlak voor. Hier staan een paar villa’s; beneden ligt het weinig aantrekkelijke strand van Cabo de Gata.

 

Het gaat via de asfaltweg weer omhoog, tot zich plots een zicht ontvouwt op de vlakte ten westen van het natuurgebied, richting Almería. Mijn bestemming, het dorpje Las Salinas en de daarnaast liggende zoutpannen, zie ik al liggen.

Het laatste stuk daalt snel af naar de vlakte. Ik ben nog vroeg en blijf nog wat op het lange, rechte strand dat van hieruit richting Almería loopt. Er staan behoorlijk wat campers naast het strand; afgezien van de klim naar de vuurtoren eindigt de weg langs de zee hier als je uit Almería komt.

Na een laatste duik in de zee loop ik tot het dorpje om er de bus richting Almería te nemen. We rijden langs het filmisch uitziende kerkje en de zoutpannen, waar flamingo’s en andere rare vogels huizen, en soms letterlijk op de grens van het Parque Natural: aan de ene kant de natuur, aan de overzijde een plastic zee van serres.

Goed voorbereid als ik ben stap ik nog voor Almería af en het laatste stukje naar de luchthaven doe ik te voet. Al ben ik daardoor natuurlijk ook heel vroeg in de kleine luchthaven waar werkelijk niets te beleven valt, behalve terugkijken op een onverwacht natte, veeleer makkelijke en luie wandeltocht langs een van de mooiste stukjes Spaanse kust. ♦ ♦ ♦

IMG_0615

Dag 6: Langs de zuidelijke calas van de Cabo de Gata

Een prachtige dag, mooi weer en een geweldige wandeling langs de inhammen aan de zuidkust van de Cabo. Deze keer heb ik in mijn rugzak alleen wat ik vandaag nodig heb, want ik vertrek en keer terug naar San José.

Ik wandel San José uit om via een windmolen en een pad omzoomd met agaven op het strand van Los Genoveses uit te komen. Het is het langste strand van het natuurpark, meer dan een kilometer lang. Er is nog bijna niemand, het ochtendgrijs is nog aan het optrekken.

Ik wandel langs de kustlijn, over een gefossiliseerde duin die het strand in twee verdeelt, en zo kom ik aan het einde van de baai. Daar ligt nog een grote rotspartij, maar ik loop rechtdoor tot aan de eerste van een hele reeks baaien die op het zuiden georiënteerd zijn. De Cala de los Amarillos is een prachtige zandbaai en ligt erg in de diepte. Op het eerste zicht moeilijk te bereiken: hoe geraak je beneden? Er is ook niemand op het strand te zien. Aan het verste einde van de baai vind ik toch een pad naar beneden dat eigenlijk vrij makkelijk loopt. En zo ben ik helemaal alleen op dit prachtige strand.

De zon schijnt intussen volop. Ik eet wat, zwem wat, lig wat in de zon, zalig. Verder zie ik hier niemand: alleen wanneer ik me klaarmaak om te vertrekken zie ik bovenaan wandelaars die de richting uitgaan die ik ook wil nemen. Vandaag is zo’n beetje de enige dag waarop ik regelmatig andere wandelaars zie, al is dat meestal vanuit de verte.

IMG_0642

Ik klim naar boven en volg de kustlijn, op en neer over de rotsen, van de ene baai naar de andere, die samen de Calas del Barronal worden genoemd. Op een leeg strand, Cala Principe, ligt een verlaten, kapotte boot.

Vanaf Cala Chica, die eindigt op grote, vierkante zwarte rotsblokken, kan je bij laagtij langs de zee wandelen, onder mooie rotskliffen. Het is laagtij – had ik vooraf opgezocht – en dus gaat dat: een prachtig stukje wandeling langs de hoge rotsen en grote, soms vierkante stukken basalt.

Het smalle stuk strand komt uit bij de Cala Grande, een heel mooi zandstrand waar zowaar meer dan een paar mensen zijn. Ik blijf hier even, eet voor de middag en zwem in het heerlijke water.

IMG_0674

Na een tijd vertrek ik, de zeebries doet het zand soms opstuiven. Op het strand er vlak naast, El Lance de Perro, stop ik toch nog even bij de vreemde, smalle rechtopstaande basaltrotsen. Ook hier waaien wind en zand. Even zwemmen en me snel afdrogen voor ik vol zand hang.

Van hieraf kan je niet meer verder langs de zee en moet je terug te rotsen over. Ik klim waarschijnlijk wat te veel naar boven, op een helling vol puinstenen, maar geraak uiteindelijk toch waar ik moet zijn, aan de Playa del Barronal, afdalend via een grote zandduin. Ook hier zijn weer wat andere mensen, en is het weer tijd om wat te zwemmen en te eten.

Het weer verandert stilaan als ik achter een grote duin naar de Playa de Monsúl loop, een van de bekendste stranden hier en ook verreweg het drukste. Er ligt een grote schuin aflopende rots in het midden van het strand, het decor in één van de Indiana Jonesfilms.

Ik loop wat rond op het strand terwijl de lucht donkerder wordt, klim over een rots, ga weer naar beneden naar een kleine baai waar twee mensen zwemmen, en weer steil naar omhoog om uiteindelijk in de grotere baai vaan Media Luna te komen, het verste punt van mijn tocht. Even uitrusten en wat zwemmen. Het druppelt een beetje maar er is een overhangende rots waar ik onder kan zitten.

Als het ophoudt met regenen, vertrek ik weer richting San José, maar al snel – ik ben het hinterland van Monsúl amper voorbij – begint het écht te regenen. Ik vlucht naar een elektriciteitshuisje dat wat van de weg af ligt en schuil daar tegen de muur onder een afdakje. Het regent echt hard, een hele tijd lang. De wind komt van één kant, vanuit San José, maar na een tijd heb ik door dat de regen eigenlijk komt uit de hoogste wolken, die helemaal de tegenovergestelde kant uit waaien. En in die richting begint het stilaan op te klaren.

Als het mindert met regenen vertrek ik, op de brede (nu zeer natte en hier en daar overstroomde) weg naar San José. Blij dat ik gewacht heb: de regen houdt op en al snel krijg ik het Genoveses-strand in zicht.

Via een weg tussen cactussen en agaven kom ik op het bijna lege strand, en via een windmolen die nu mooi in de avondzon ligt, kom ik weer in San José. ♦

img_0794.jpg

Dag 5: La Isleta del Moro – San José (via een wolkbreuk)

Het heeft deze nacht geregend, de straten liggen nat. De weersvoorspelling geeft bewolkt met buien en kans op onweer. Intussen kan ik de dapper volhardende lezer wel bekennen dat ik aan deze vakantie begon met een rotsvast geloof in de term ‘droogste streek van Europa’ en de daaruit volgende, wetenschappelijk onderbouwde beslissing om geen regenjas (of jas tout court) mee te nemen.

Een beetje na negen uur vertrek ik, en anders dan gisteren kan er een glimlachje af bij de receptioniste. Via een mirador en trapjes naar beneden loop ik een stuk vlak langs de zee, en dan stijgt het pad over rode aarde die soms in bijzonder plakkerige modder verandert. Het pad over de flank van de helling is soms erg smal en schuin, en ik ben blij dat het niet regent.

IMG_0503

Al snel zie ik Los Escullos liggen: rotsen, een vesting, en een wit gebouw dat een hotel blijkt te zijn. Ondertussen achtervolgen donkere wolken mij. Na een strand, de Playa de los Arcos, kom ik aan een merkwaardig, grillig rotsplateau van witte rotsen in een extreem zachte soort steen. Op sommige plaatsen hangen ze ver over, zodat ik een mooi afdakje zou hebben als het zou regenen.

Ik eet iets onder de grootste boog en loop dan verder. Eens ik de versterkte vesting voorbij ben, nog altijd over de witte rotsen, begint het te druppelen. Verderop liggen de toppen van de twee hoogste vulkanen in het natuurgebied in de wolken.

Het kon niet uitblijven: het begint bakken water te gieten en ik wou dat ik onder het afdak gebleven was! Ik ren over de rotsen op zoek naar een schuilplaats. Dat valt niet mee. Onder een laaghangende rots kan ik mijn rugzak kwijt, zodat die toch grotendeels droog blijft. Als ik ga liggen, kan ik ook min of meer onder de rots, wat een buitengewoon lachwekkend zicht moet zijn; maar het afdakje is te smal en te klein om echt veel effect te hebben. De rotsen breken ook verontrustend snel af en alles wordt erg vuil omdat de witte steen verpulvert in het water. Als het wat mindert met regenen blijf ik maar gewoon rechtstaan, ik ben toch al doorweekt. Ik ga nog even op zoek naar een betere schuilplaats, maar is niet meteen te zien. Als het weer harder regent ga ik toch maar weer even liggen. Gelukkig is het helemaal niet koud. Langs mij stroomt het water in beken naar beneden, de zee in.

Ik ben blij dat mijn rugzak weliswaar zeer vuil maar best nog droog is. Helaas zijn mijn schoenen op een of andere manier compleet doornat geworden. Ik kan er echt water uit gieten en mijn sokken uitwringen. Ik vertrek dan maar, nog in de regen, maar die is toch minder geworden en houdt uiteindelijk op. Dan ben ik al de rotsen voorbij, over het Embarcadero-strand, op een brede onverharde weg die nu eens makkelijk stapt, maar vaker lastig over veel stenen of weer van die plakmodder. Een paar keer stop ik om mijn sokken opnieuw uit te wringen.

IMG_0531

Het landschap wordt hier heel desolaat, er nauwelijks begroeiing en overal liggen er stenen. Het pad slingert langs de kust en af en toe lijken er vage paadjes af te dalen naar een inham, maar omdat het er zo onduidelijk uitziet ga ik maar verder. Ik passeer langs een groot vervallen huis waar ik even in rondkijk.

Wat verder, onder een uitkijktoren, zie ik plots San José liggen. Ik had geen idee dat ik al zo dicht bij mijn bestemming was. Ik liet mijn gsm met wat kaarten erop ook in mijn rugzak door de regen, vandaar.

De zon begint stilaan te schijnen en mijn kleren drogen wat op. Ik ga over een smal steil dalend pad tot Cala Higuera; daar is de plakmodder weer. Boven de baai liggen een paar huizen. Er is een hoge rots, een klein leeg strandje, en dan weer witte zachte rotsen die week lijken te worden als ze nat zijn. Ook hier is niemand. Ik leg mij onder zo’n onderhangende rots en laat mijn kleren drogen onder de zon. Voor mijn sokken en mijn onderbroek is dat voorlopig hopeloos.

Een voordeel van lopen met je rugzak is dat je je andere kleren mee hebt. Ik doe droge kleren aan en vertrek naar San José, langs een heuvelflank, soms over losse aarde, naast een draadafsluiting steil naar beneden het dorp in. Ik ben er even voor vier uur. San José is het grootste dorp op mijn weg, en ook het meest toeristische. Mijn eigen hotel is nog gesloten door de siësta. Ik ga iets drinken in een café en intussen regent het weer een half uur ferm door.

Op mijn kamer merk ik dat mijn voeten nogal geweekt zijn in mijn natte schoenen. Ik val even bijna in slaap op mijn bed. Ik ga nog een krant kopen aan een kiosk; de Spaanse kranten zijn op, maar The Voice of Almeria, voor expats in de streek, is er wel nog, en ’s nachts droogt die mijn schoenen perfect. ♦

IMG_0577

Dag 4: Las Negras – Rodalquilar – La Isleta del Moro

Terwijl de assistent met de brommer gaat checken of ik in mijn hutje niets heb afgebroken, doe ik nog even een praatje met de receptioniste die zich wat verbaasd toont over mijn route te voet. Veel wandelaars komen hier al bij al niet.

Meteen een ferme klim vanuit de Cala del Cuervo, de baai van de camping. Het is eerst wat zoeken naar de weg, en daarna gaat het over een breed pad naar El Playazo, een vrij groot strand dat ik al snel zie liggen. Ik kom uit bij de versterkte vesting, die je overigens niet kan bezoeken.

Ernaast ligt een prachtige uitgestrekte rotspartij in allerlei tinten beige, vol laagjes, fossielen van schelpen, barsten…

 

Het is bewolkt en er zijn nog niet veel mensen. Ik eet wat op de rotsen opzij van de baai, maar het klaart nog niet op; geen zwempartijtje hier. Ik loop het strand langs, waar jammer genoeg nogal wat afval ligt. Ik moet wat omlopen omdat sommige stukken achter het strand overstroomd zijn na de regen van gisteren.

Ik zie een pad dat naar cala Bergantín loopt en klim naar boven; een stevige helling. Boven op de col is er een mooi uitzicht op El Playazo en de brede vallei erachter. Aan de andere kant ligt Cala Bergantín, een kleine baai met grote donkere keien, en helaas ook weer aangespoeld afval. Ik daal maar niet af maar blijf boven even genieten van de eenzame natuur op de col.

IMG_0358

Via een palmplantage achter El Playazo bereik ik een brede zandweg richting Rodalquilar, die verder asfalt wordt. Langs een toren en een kasteelmuur gaat het door een vlakte die bezaaid ligt met stenen. In de verte zie ik de mijnen van het stadje.

IMG_0386

Ik ben moe en hongerig en heb in Rodalquilar geen fut om nog naar boven te gaan om de goudmijnen te gaan bekijken. Op zoek naar een bankje om iets te eten zie ik plots een straat vol vervallen, verlaten huizen. De deuren zijn dichtgemetseld tegen indringers. Binnen ligt er rommel. De straat brengt me naar een volledig dorp in ruïnes, naast het huidige dorp. De huizen zijn erg vervallen en liggen deels in puin. Een indrukwekkend zicht, een overblijfsel van toen dit dorp van de mijnbouw leefde – en hoe dat plots ophield.

 

Ik eet iets aan de uitgang van het dorp, bij een plaatijzeren monument voor de mijnwerker.

Het is intussen opgeklaard. Ik loop over de gewone weg richting La Isleta del Moro, langs een wijdse vlakte en mooie, kleurrijke bergen.

IMG_0443

Na een mirador bij de zee kom ik – na wat zoeken, want ik was eerst te hoog een heuvel opgegaan – via een pad aan de Cala de los Toros, doorheen een weelderige oase met palmbomen. Een klein strand met keien. Eerst wat zitten onder een boom voor wat schaduw, daarna bijna in slaap in de koesterende gloed van de avondzon. Behalve nu en dan een paar bezoekers die een foto nemen en snel weer vertrekken, zijn er maar een paar anderen op het strand.

Na een hele tijd zoek ik terug de weg naar La Isleta op en loop het laatste stukje opnieuw tussen hoge palmbomen.

La Isleta del Moro is een minidorpje op een schiereilandje. Mijn pension ligt boven het plaatselijke restaurant. Ik drink een biertje in de bar tussen de voetbal kijkende locals en eet met zicht op de donkere zee.  ♦

IMG_0499

 

Dag 3: Nog meer agua in Las Negras

Het regent. Soms regent het niet. Dan begint het weer te regenen. Dan vertrek ik en begint het te regenen, zodat ik terugga.

Nu geeft dat niet, het was gisteren al zo voorspeld – overtrokken, regen en veel wind – dus had ik me al bij een soort rustdag neergelegd. Toch twijfel ik. Ik ga ontbijt halen in het supermarktje van de camping, zie het regenen en ophouden en weer regenen, maak plannen om naar El Playazo of naar Rodalquilar te wandelen, vertrek echt, maar al voor ik aan het strand kom aan het andere eind van de camping begint het weer te regenen en keer ik snel terug.

Het blijft nat tot ergens in de namiddag en ik geniet dan maar van een rustdagje. Ik heb ook wat last aan mijn rechterdij, waarschijnlijk van de afdaling naar San Pedro gisteren. Na vijf uur ga ik nog tot Las Negras om eten te halen in de supermarkt. De zee is wit van het schuim op de golven, er staat nog altijd veel wind. Het dorp zelf stelt niet zoveel voor, Agua Amarga had veel meer charme. De lokale mensen zitten in lange mouwen op het terras, ook al is het 23 graden.

Als ik terugkeer, kom ik toch nog in de regen terecht. Natte kleren en sandalen. Met behulp van een ventilator in mijn hutje krijg ik mijn kleren droog. Ik kook met veel groenten, want op restaurant krijg je dat hier nauwelijks. Ik geniet van de avond en hoop morgen weer volop te kunnen wandelen en zwemmen.  ♦

Dag 2 Agua Amarga – San Pedro – Las Negras

De dag begint met een overstroming. Het giet, dondert en bliksemt dat het een aard heeft. Als ik uit het raam kijk, zie ik hoe de straat van het hotel onderloopt, net als het plein ervoor. Dit hoort nochtans de droogste streek van heel Spanje te zijn.

IMG_0143

Als de regen ophoudt trekt het water weer langzaam weg. Ik ontbijt op mijn gemak en begin aan mijn wandeling, maar ver geraak ik niet. Ik moet een pad op langs de kust, maar de weg die ik over moet, is ondergelopen en is veranderd in een modderige rivier die in zee uitmondt. Ook de gewone weg naar Las Negras, meer landinwaarts, is overstroomd. De toevoer van water vermindert niet, ook al is het gestopt met regenen. Het halve dorp komt een kijkje nemen. Nu en dan rijden auto’s door de ondergelopen stukken. Ik probeer of ik dichter bij de zee kan oversteken, wat helemaal niet gaat, en keer terug in de hoop dat ik met een auto kan meeliften over het water. Na een kwartier zonder auto in zicht stap ik maar blootsvoets de ‘rivier’ over. Die is minder vuil dan gedacht.

WP_20140926_004

Zo is het 11 uur voor ik aan mijn wandeling begin. Eerst richting de verlaten cortijo waar ik gisteren was. Hier en daar liggen plassen en het is soms glad door de modder.

Daarnet riep een schooljongen, wachtend aan de bushalte op het overstroomde plein: ‘A la playa!’. Maar nu is het opgeklaard en daal ik écht af naar een zonnig strand, de Playa del Plomo. Het zand is nog nat en ervoor liggen grote plassen. El Plomo is ook een minidorpje, met erachter een groene oase mét bomen – die je hier anders nauwelijks ziet. Je kan het strand oprijden met de auto; er staan een paar busjes (al mag je hier niet overnachten). Vlak voor de zee maakt het strand een scherpe knik naar beneden. Het waait nogal, dus eet ik brood met kaas en zandkorrels.

IMG_0148

Een mooie, blote vrouw loopt langs de zee, meezingend met de muziek op haar iPod. Af en toe blijft ze lang staan, kijkend naar de zee, tegen de golven op zingend.

IMG_0150

Zwemmen in de zee is weer heerlijk. Ik spoel het opgewaaide zand van me af en kleed me weer aan. Even zoeken naar het juiste pad naar boven. Echt naar boven, want ik moet 250 hoger, over een rotsig pad. Het is al warm. Op het hoogste punt raak ik het pad en het noorden kwijt. Ik sukkel door het struikgewas, probeer me te oriënteren, loop een stukje de foute richting uit, maar kan uiteindelijk afdalen naar een pad dat het goede blijkt te zijn. Al snel zie ik de baai van San Pedro liggen. Een oud piratennest, en nu een halve hippiecommune.

Wel nog eerst 200 meter dalen, over een pad vol losse stenen, niet mijn favoriete bezigheid. Het blijft maar duren, en ik ben blij als ik eindelijk beneden ben, tussen een paar ‘huisjes’. Het strand van San Pedro is niet zo groot en niet speciaal mooi, al ligt het wel prachtig in de baai. Ik eet en zwem een beetje, en een van de hippies komt zeggen dat ik gerust mag liggen onder een van de zeilen die hier gespannen zijn om schaduw te maken. Dat doe ik. Het helpt ook wat tegen het stuifzand.

Bij het zwemmen terug naar het land spat het water in je gezicht door de wind. Maar de zee zelf is kalm en heerlijk.

Tegen vijf uur vertrek ik weer. Wat zoeken naar de juiste weg. Boven het strand is een oude wachttoren als verdediging tegen de piraten, en overal tussen het struikgewas staan tenten. Ik vraag me af wie de hippies zijn die hier verblijven, wat ze doen, hoe lang ze hier blijven. Er is hier ergens ook een bron met drinkbaar water, de enige in de wijde omtrek, maar die heb ik niet gezien.

De klim weg van San Pedro valt goed mee, langs deze kant ik het hoogteverschil minder groot. Volgt een mooi pad, eerst langs de kust, en verder wordt het een brede, onverharde weg voor auto’s, uitgegraven tussen de rotsen.

Snel kom ik in Las Negras, op het eerste zicht een weinig bijzonder, wat clean aangelegd (toeristen)dorp. Omdat het weer wat lijkt te veranderen, loop ik meteen door naar de camping waar ik ga overnachten, en die een baai verderop ligt.

Ik heb er een ‘estudio mountain’, een soort hutje aan het eind van de camping, waar ik, samen met een pakket lakens en handdoeken, heen gebracht word achterop een brommertje. Douchen moet ik naast de deur, maar ik heb wel een keuken, en een bed waarop ik de rare wegwerplakens leg, en heerlijk slaap.  ♦

IMG_0229