Ik voel me, na de blarenrustdag gisteren, weer top en het belooft een mooie, zonnige dag te worden. Ik pak mijn blaren zorgvuldig in en neem vroeg de bus naar Fornells, met een overstap in Es Mercadal. Fornells bestaat uit een resem kleinere badplaatsjes aan de noordoostkust van Menorca. De meest westelijke daarvan is Cala Tirant, waar mijn tocht vandaag begint. Het plan is om de ruige noordkust af te wandelen in westelijke richting. Tot waar? Plan A is om te wandelen tot de eerste plek van waar ik de bus terug kan nemen: het strand van Algaiarens, waar ik gisteren mijn korte wandeling eindigde. Dat is 31 kilometer ver, en daar heb ik een kleine 10 uur de tijd voor. Mijn reisgids rekent eerder een goeie 11 uur (met pauzes). Omdat ik onderweg net als altijd graag eens stop of een duik in de zee neem, lijkt mijn plan B waarschijnlijker: dan wandel ik tot Cala Pilar, en keer ik te voet terug naar mijn huisje in Ferreries. Dan moet ik geen rekening houden met het halen van de bus.
Om 9 uur stap ik over het zandstrand van Cala Tirant, ga een riviertje over dat hier in een groen en nat vogel- en natuurgebiedje in zee uitmondt, en volg de ongerepte kust naar het noorden langs een reeks rotsige baaien, in de richting van de Cap de Cavalleria, het noordelijkste punt van Menorca.
Ik heb zicht op de vuurtoren op de kaap, maar de GR223 loopt niet tot daar: dat zou zes kilometer extra betekenen, vooral op de asfaltweg. Het pad steekt het schiereiland over tussen velden met bloemen en luchten met roofvogels, volgt toch een stuk de asfaltweg, en komt dan terug aan de kust aan de overkant van het schiereiland. Een prachtig zicht op het vervolg van mijn tocht. Al snel kom ik aan het uitgestrekte zandstrand Platja de Cavalleria. Het ligt prachtig in een baai met lage rode rotsen. Normaal daal je naar het strand af op houten trappen, maar die zijn ze nu aan het herstellen en ik moet wat verderop naar beneden. Het strand is nog bijna leeg. Ik rust er een halfuurtje uit en ga even in zee. Intussen komen er al wat bezoekers aan.
Van hieruit loopt een aarden pad voortdurend dichtbij de zee over de lage rotsen, met zicht op de volgende stukken kust.
Het volgende grotere strand dat in zicht komt, is Cala Binimel.là. Daar staan zowaar een paar gebouwen, en in het hinterland ligt landbouwgrond. Kort voor Binimel.là loopt de Camí dwars over een door de rotsen beschut strandje. Ik kan het niet laten en duik ook hier weer de zee in. Wanneer ik in het heldere water niet alleen visjes zie voorbijkomen, maar ook een roedel kwallen, houd ik het toch maar snel voor bekeken.
De zijkant van het strand van Binimel.là ligt vol posidonia, een plant die in zee groeit met langwerpige, wat rechthoekige bladeren, die elk jaar ‘afvallen’ en zo naar de stranden worden gespoeld, waar ze zich soms in hoge bermen opeenstapelen. Het is een wat vreemd zicht, maar ze beschermen de stranden ook tegen erosie, een groot probleem voor de stranden in Menorca. Er is nogal wat strijd tussen milieu-organisaties en de toeristische sector, die instagramwaardige stranden wil zonder posidonia.
De wandeling naar Cala Pregonda die daarop volgt gaat over rode aarde, die regelmatig van tint wisselt. Ze leidt naar de kleurige rotsen in en om Cala Pregonda, een van Menorca’s topbestemmingen. Op dit stuk van het pad is dan ook veel meer volk dan gewoonlijk.
De combinatie van grillige, vreemde rotsen en eilandjes, aarde en zand in allerlei tinten geel en rood, de zee en het strand, de duinen en bloemen in het hinterland is dan ook prachtig.
Na Cala Pregonda loopt de Camí de Cavalls zachtjesaan het binnenland in, door een bos en velden, opnieuw tussen bloemen en op rode aarde.
Het pad komt uit in de stille, rotsige baai van Cala Barril, met een eilandje aan het uiteinde van de inham.
Vanaf hier krijgt het pad een meer bergachtig karakter. Het klimt de heuvels op, wordt een hobbelig rotspad, maar blijft dicht bij de kust, die hier kaal en rotsachtig is. Prachtige panorama’s.
Wat verder daalt het af naar de onherbergzame Cala en Calderer. Ik rust wat uit in de schaduw van een rots en eet mijn lunch.
Het pad stijgt daarna uit de baai en gaat vervolgens nog een stuk op en neer langs de kust. Dan gaat het sterk stijgend landinwaarts, om daar dan de golvende heuvels te volgen. Ik passeer een barraco de bestiar, een kegelvormige schuilhut voor het vee, gemaakt van drooggestapelde stenen.
De GR223 gaat hier op en neer door het groene binnenland en daalt uiteindelijk af naar de stenige baai Els Alocs, waar een naakt koppel zit te zonnen.
Van hieruit kan je het binnenland in richting Ferreries, 8 km verder. Maar ik loop nog een kilometer door naar Cala Pilar, een groot strand met grof, roodachtig zand en rode rotsen er omheen. Hier zijn best wat mensen; het is dan ook een ronduit prachtige plek.
Het is halfvier en ik ben perfect op schema voor mijn plan A, om nog tot Algaiarens te stappen en daar de bus te nemen. Maar het is hier zo mooi en zo’n ideaal zwemweer dat ik na een tijdje besluit om toch maar voor plan B te gaan en straks naar Ferreries te wandelen. Dat is even lang, maar zo kan ik hier langer blijven. Na een dikke twee uur vertrek ik weer.
Ik keer terug naar Els Alocs, waar een merkwaardig monument staat voor de 400ste verjaardag van Cervantes’ Don Quixote.
Ik loop het binnenland in en passeer halverwege nog aan een verlaten schooltje waar ik nog even in rondneus.
De laatste paar kilometer volgen helaas de drukke hoofdweg van het eiland. Maar dat kan weinig afdoen van de pracht van deze etappe. 32 kilometer vandaag, oef! ♦





















