Gisteren ben ik vanuit Charleroi naar de kleine luchthaven van Almería gevlogen. Mijn wroeging die toch altijd de kop opsteekt als ik vlieg, wordt op een wat idiote manier gemilderd doordat er op mijn vlucht een hele groep van 26 mensen met een mentale beperking zitten: dat zij ook gewoon op reis kunnen gaan, maakt me blij. De wolken onderweg zijn watjes, bloemkoolroosjes, paddestoelen, spaghettislierten, een tafelberg.

Ik heb overnacht in een hotel in de stad, met een vriendelijke mevrouw die zich in de receptie achter een soort traliewerk bevindt, waardoor geld, papieren en sleutels passeren. Ze grapt dat haar man haar daar opgesloten heeft. Naast mijn kamer logeren werkmannen die naar flamenco luisteren. Rondom de kathedraal was de stad was vol leven: luidruchtig spelende kinderen, rondhangende tieners, Arabisch pratende moeders. Heerlijk om rond te dwalen in een onbekende stad.
Vanuit Almería neem ik de bus, en een uur later kan ik beginnen aan mijn wandelweek. Ik vertrek in het dorp Carboneras en loop langs de zee naar het zuiden. Je komt het Parque Natural de Cabo de Gata pas in als je eerst de haven, een elektriciteitscentrale en betonfabrieken en een grote ontziltingsinstallatie bent gepasseerd. Ik deel de weg met vrachtwagens en joggers. Eens de weg klimt, kom je in het natuurpark en kan je achteromkijkend zien hoe diep de afgravingen van de betonfabrieken landinwaarts lopen, langs de grens van het natuurpark.

Bij het pad dat afdaalt naar het strand in de diepte koop ik nog wat eten en drinken bij een tot bar omgevormde camionette. Een stenige afdaling leidt naar een lang kiezelstrand dat langzaam in zee afloopt. De Playa de los Muertos werd verkozen tot mooiste strand van Spanje. De zee is prachtig blauw en helder. Als ik aankom zijn er misschien acht mensen op heel het strand. Allemaal zonder iets aan: behalve op de wat drukkere stranden is naakt hier buiten het drukke seizoen zo’n beetje de norm.
Ik zwem heerlijk in het heldere, zoute water, eet iets, zwem weer wat.
Via een pad klim ik 200 meter hoger, naar een afgeplatte heuvel, de Meso Roldán. Er staat een brede, stompe toren en wat verder een meer recente vuurtoren. Uitzicht rondom; ik zie mijn bestemming van straks, Agua Amarga, al liggen. Heel vreemd is dat de top van de heuvel een tiental meter afgegraven lijkt, waardoor je er eigenlijk rond loopt. Bizar.
In de afdaling naar Agua Amarga raak ik plots de weg kwijt, en na wat vergeefs zoeken neem ik maar de gewone autoweg tot het dorp, een prachtig dorpje vol witte, kubistische huizen.
Ik ga al even langs mijn hotel. Donkere wolken en een paar druppels. Ik eet frietjes en een of ander onderdeel van een melklam op een terras aan het strand. Na het eten is het vier uur, en ik loop door langs de kust naar de Cala de Enmedio: een hele klim, een vlak stuk en een ferme afdaling, maar het gaat prima op mijn sandalen. Een supermooie baai met witte, vreemde rotsformaties aan beide zijden. Opzij kan je wat over de stenen wandelen, en in het midden is er een zandstrandje, waar ik weer even zwem.

Na een half uur zijn er weer donkere wolken en iedereen pakt zijn boeltje. Ik vertrek ook, maar het waait weer over en ik klim langs een breed pad naar boven tot een verlaten cortijo. Ondertussen probeer ik de goeie weg terug te vinden, en ik kom vlot terug in Agua Amarga. Ik ga nog naar de supermarkt en loop wat rond in het kleine dorpje en bewonder de Noord-Afrikaans aandoende huizen: witte kubussen met trapjes, koepels, bogen, schoorstenen… ♦
