Camí de Cavalls (4): Cala Tirant – El Pilar – Ferreries

Ik voel me, na de blarenrustdag gisteren, weer top en het belooft een mooie, zonnige dag te worden. Ik pak mijn blaren zorgvuldig in en neem vroeg de bus naar Fornells, met een overstap in Es Mercadal. Fornells bestaat uit een resem kleinere badplaatsjes aan de noordoostkust van Menorca. De meest westelijke daarvan is Cala Tirant, waar mijn tocht vandaag begint. Het plan is om de ruige noordkust af te wandelen in westelijke richting. Tot waar? Plan A is om te wandelen tot de eerste plek van waar ik de bus terug kan nemen: het strand van Algaiarens, waar ik gisteren mijn korte wandeling eindigde. Dat is 31 kilometer ver, en daar heb ik een kleine 10 uur de tijd voor. Mijn reisgids rekent eerder een goeie 11 uur (met pauzes). Omdat ik onderweg net als altijd graag eens stop of een duik in de zee neem, lijkt mijn plan B waarschijnlijker: dan wandel ik tot Cala Pilar, en keer ik te voet terug naar mijn huisje in Ferreries. Dan moet ik geen rekening houden met het halen van de bus.

Om 9 uur stap ik over het zandstrand van Cala Tirant, ga een riviertje over dat hier in een groen en nat vogel- en natuurgebiedje in zee uitmondt, en volg de ongerepte kust naar het noorden langs een reeks rotsige baaien, in de richting van de Cap de Cavalleria, het noordelijkste punt van Menorca.

Ik heb zicht op de vuurtoren op de kaap, maar de GR223 loopt niet tot daar: dat zou zes kilometer extra betekenen, vooral op de asfaltweg. Het pad steekt het schiereiland over tussen velden met bloemen en luchten met roofvogels, volgt toch een stuk de asfaltweg, en komt dan terug aan de kust aan de overkant van het schiereiland. Een prachtig zicht op het vervolg van mijn tocht. Al snel kom ik aan het uitgestrekte zandstrand Platja de Cavalleria. Het ligt prachtig in een baai met lage rode rotsen. Normaal daal je naar het strand af op houten trappen, maar die zijn ze nu aan het herstellen en ik moet wat verderop naar beneden. Het strand is nog bijna leeg. Ik rust er een halfuurtje uit en ga even in zee. Intussen komen er al wat bezoekers aan.

Van hieruit loopt een aarden pad voortdurend dichtbij de zee over de lage rotsen, met zicht op de volgende stukken kust.

Het volgende grotere strand dat in zicht komt, is Cala Binimel.là. Daar staan zowaar een paar gebouwen, en in het hinterland ligt landbouwgrond. Kort voor Binimel.là loopt de Camí dwars over een door de rotsen beschut strandje. Ik kan het niet laten en duik ook hier weer de zee in. Wanneer ik in het heldere water niet alleen visjes zie voorbijkomen, maar ook een roedel kwallen, houd ik het toch maar snel voor bekeken.

De zijkant van het strand van Binimel.là ligt vol posidonia, een plant die in zee groeit met langwerpige, wat rechthoekige bladeren, die elk jaar ‘afvallen’ en zo naar de stranden worden gespoeld, waar ze zich soms in hoge bermen opeenstapelen. Het is een wat vreemd zicht, maar ze beschermen de stranden ook tegen erosie, een groot probleem voor de stranden in Menorca. Er is nogal wat strijd tussen milieu-organisaties en de toeristische sector, die instagramwaardige stranden wil zonder posidonia.

De wandeling naar Cala Pregonda die daarop volgt gaat over rode aarde, die regelmatig van tint wisselt. Ze leidt naar de kleurige rotsen in en om Cala Pregonda, een van Menorca’s topbestemmingen. Op dit stuk van het pad is dan ook veel meer volk dan gewoonlijk.

De combinatie van grillige, vreemde rotsen en eilandjes, aarde en zand in allerlei tinten geel en rood, de zee en het strand, de duinen en bloemen in het hinterland is dan ook prachtig.

Na Cala Pregonda loopt de Camí de Cavalls zachtjesaan het binnenland in, door een bos en velden, opnieuw tussen bloemen en op rode aarde.

Het pad komt uit in de stille, rotsige baai van Cala Barril, met een eilandje aan het uiteinde van de inham.

Vanaf hier krijgt het pad een meer bergachtig karakter. Het klimt de heuvels op, wordt een hobbelig rotspad, maar blijft dicht bij de kust, die hier kaal en rotsachtig is. Prachtige panorama’s.

Wat verder daalt het af naar de onherbergzame Cala en Calderer. Ik rust wat uit in de schaduw van een rots en eet mijn lunch.

Het pad stijgt daarna uit de baai en gaat vervolgens nog een stuk op en neer langs de kust. Dan gaat het sterk stijgend landinwaarts, om daar dan de golvende heuvels te volgen. Ik passeer een barraco de bestiar, een kegelvormige schuilhut voor het vee, gemaakt van drooggestapelde stenen.

De GR223 gaat hier op en neer door het groene binnenland en daalt uiteindelijk af naar de stenige baai Els Alocs, waar een naakt koppel zit te zonnen.

Van hieruit kan je het binnenland in richting Ferreries, 8 km verder. Maar ik loop nog een kilometer door naar Cala Pilar, een groot strand met grof, roodachtig zand en rode rotsen er omheen. Hier zijn best wat mensen; het is dan ook een ronduit prachtige plek.

Het is halfvier en ik ben perfect op schema voor mijn plan A, om nog tot Algaiarens te stappen en daar de bus te nemen. Maar het is hier zo mooi en zo’n ideaal zwemweer dat ik na een tijdje besluit om toch maar voor plan B te gaan en straks naar Ferreries te wandelen. Dat is even lang, maar zo kan ik hier langer blijven. Na een dikke twee uur vertrek ik weer.

Ik keer terug naar Els Alocs, waar een merkwaardig monument staat voor de 400ste verjaardag van Cervantes’ Don Quixote.

Ik loop het binnenland in en passeer halverwege nog aan een verlaten schooltje waar ik nog even in rondneus.

De laatste paar kilometer volgen helaas de drukke hoofdweg van het eiland. Maar dat kan weinig afdoen van de pracht van deze etappe. 32 kilometer vandaag, oef! ♦

Camí de Cavalls (3): Ciutadella & Cala Morell – Algaiarens

Veruit de kortste wandeldag vandaag, want tot mijn grote spijt heb ik een paar pijnlijke blaren opgelopen gisteren. Snel doorstappen op het asfalt breekt me nu zuur op, net als het thuislaten van mijn trouwe wandelschoenen voor een meer zomers paar waar ik normaal ook goed in zit. Compeed to the rescue dus. Maar alleen al de trappen aflopen in mijn huisje in Ferreries doet pijn en er zit dus niet veel anders op dan mijn voeten wat rust te gunnen vandaag. Dus hou ik het bij een bezoek aan Ciutadella, de mooie, vroegere hoofdstad van het eiland, en een korte wandeling van een achttal kilometer aan de noordkust.

DSCF5165

Ciutadella is de stad aan de westkust van Menorca; de grootste stad, Maó, ligt aan het andere uiteinde van het land. Ciutadella was een belangrijke havenstad in de middeleeuwen, werd verwoest door de Turken in de zestiende eeuw, en werd heropgebouwd in de zeventiende eeuw, waardoor het oude centrum er homogeen uitziet; het lijkt een beetje Italiaans. Een aangenaam stadje om wat in rond te dwalen.

Na de middag neem ik een bus naar Cala Morell, een van de weinige dorpjes aan de noordkust. Via een chique villawijk loopt de Cami de Cavalls naar het oosten een hele tijd rechtdoor, met rechts een lange muur van drooggestapelde stenen, en links struikgewas op een rotsig plateau en daarachter de zee.

Het niet eens zo hobbelige pad stelt mijn voeten (en mijn blaren) eerst op de proef, maar na een tijdje heb ik niet veel last meer van de blaren. De vlakte geeft uitzicht op baaien en rotsige kapen, en na een tijdje komt de weergaloze inham van Codolar de Biniatram in zicht.

Het pad komt hier weer aan de kust zelf. Na een wat bewolkte voormiddag is er nu volop zon en dan kleurt de zee in Menorca prachtig turquiose. Mooi contrast met de rotsen, de bloemen en het groen langs de kust.

P1070410

Het pad stijgt wat en rondt de kaap van Punta Blanca, vanwaar de zandstranden van Algaiarens en Es Bot te zien zijn, mijn eindbestemming voor vandaag.

De GR223 volgt eerst de kleine, rotsige inham Cala Fontanelles, en loopt via een bebost pad het binnenland in om bij een parkeerplaats uit te komen. Daar heb ik straks ook mijn bus. Omdat ik een van de volgende dagen toch nog op deze plek terugkom (en opnieuw de bus zal nemen), loop ik nu niet naar het strand van Algaiarens zelf, maar stap in nog door tot het kleinere strand van Es Bot. Ook dat pad gaat niet langs de zee maar door het hinterland, dit keer langs graanvelden. Op het strand mondt een meanderend riviertje uit in zee.

Na een dik halfuur vertrek ik terug, dezelfde weg terug naar de bus, die me weer richting Ciutadella brengt.

Morgen staat, eindelijk, de koninginnenetappe langs de noordkust op het programma. ♦

Camí de Cavalls (2): Cala Galdana – Binigaus

dag2

Zondag vandaag, en ondanks de voorbereidingen vooraf heb ik daar eigenlijk te weinig rekening mee gehouden. Het busverkeer is vooral beperkt tot de hoofdas tussen Ciutadella en Maó, wat de wandelmogelijkheden langs de kust aanzienlijk beperkt. Vanuit mijn huisje in het centrum van Ferreries ga ik dan maar te voet richting Cala Galdana, een badplaatsje aan de zuidkust in een mooie hoefijzervormige baai die – atypisch voor Menorca – helaas verpest wordt door een paar gigantische appartementsblokken. Ik stap snel door om de asfaltweg achter me te laten en een uur later, kort voor Cala Galdana, daal ik via een bos af richting Cala Mitjaneta. Dat behoort een minuscuul strandje te zijn, maar het is vloed en er zijn bijna alleen rotsen te zien.

Het is bewolkt en er is bijna niemand, net als op het even verderop liggende grotere, diepe strand van Cala Mitjana. Daar rust ik even uit; er komen wel wat mensen aan die nog vol optimisme aan hun stranddag beginnen, maar echt strandweer is het vooralsnog niet.

Via een trapje klim ik uit de baai. Hier gaat de GR223 landinwaarts tot aan het strand van Binigaus, 8 kilometer verderop. Mijn bedoeling is om die route te doen, en dan terug te keren via een (ook aangeduide) pad dat wel dicht langs de kust loopt en onderweg enkele strandjes aandoet.

De Camí loopt in dit stuk door dichte bossen en langs muurtjes en poortjes, en daalt dan af naar een stukje open vlakte waar twee barranco’s, diep uitgesneden beekvalleien, samenkomen. Het pad volgt de vallei even en klimt daarna het bos weer in.

In een volgende vallei moeten grote steenblokken helpen om het modderige pad te omzeilen; nu ziet het er een beetje potsierlijk uit.

Het volgende stuk bos is erg weelderig en dichtbegroeid, niet meteen wat je met Menorca zou associëren.

Uiteindelijk draait de route richting de kust en komt ze uit aan het mooie zandstrand van Binigaus. Ondanks het bewolkte weer zijn hier wel wat mensen, al dan niet met iets aan. Het strand loopt geleidelijk af in zee en is populair bij families. Achter het strand liggen lage, rode rotsen en wat duinen.

Ik rust wat uit en besluit om mijn plannen wat te wijzigen. Ondanks een voorzichtige opklaring blijft het toch erg bewolkt en ik ga liever door het binnenland terug richting Ferreries dan langs de zee. De baaitjes langs de kustroute zijn prachtig turquoise als de zon schijnt, maar vandaag zit dat er duidelijk niet in; ik hoop het kustpad later op de week nog te doen. Vanaf het strand van Binigaus loop ik de barranco in, een bebost pad met rotsen opzij.

Ik kom langs de redelijk indrukwekkende Cova des Coloms, de grootste grot van Menorca, 25 meter hoog en zo’n 100 meter lang.

Vanaf daar loopt een soort natuurleerpad en langs velden naar het dorpje El Mitjorn Grán, vanwaar ik helaas voor de tweede keer een zes à zeven kilometer asfalt onder mijn schoenen geschoven krijg, tot in Ferreries.

Dat dat niet het beste idee was – 26 kilometer waarvan meer dan de helft langs de autoweg – zal morgen blijken. ♦

Camí de Cavalls (1): Cala en Porter – Binibeca Vell

Ik wandelde eind mei 2018 stukken van de Camí in een wat chaotische volgorde. In 2006 was ik al eens een week op Menorca geweest. Hoewel de Camí toen nog niet officieel was hersteld, wandelde ik er al stukken van, voornamelijk aan de goed bereikbare zuidkust, en ook van Mao tot voorbij Es Grau aan de oostkust. Verder bezocht ik toen onder meer Ciutadella, de prachtige vroegere hoofdstad van Menorca, en een paar megalithische sites in het binnenland.

Deze keer wilde ik vooral wandelen langs de noord- en oostkust. Ik overnachtte vier dagen in een appartement in Ferreries in het binnenland, en drie nachten in een hostal in Maó (of Mahón – respectievelijk Catalaans en Spaans).

Omdat ik een vroege vlucht had, heb ik nog een hele dag voor me. Ik neem de bus naar hoofdstad Maó en dan naar het badplaatsje Cala en Porter aan de zuidkust. Vandaar loop ik oostwaarts tot het helwit gekalkte vissersdorpje Binibequer Vell. Een korte etappe van 14 kilometer, want straks neem ik een bus terug naar Maó en dan naar Ferreries, waar ik een appartementje heb gehuurd.

dag1

Op dit stuk loopt de Camí grotendeels door het rurale binnenland, weliswaar parallel met de kust.  Vanuit het weinig inspirerende Cala en Porter, waar ik nog inkopen doe voor de eerste dag – eten, water en zonnecrème – kom ik meteen op de Camí de Cavalls. Die steekt een kloof over, een van de vele (vaak droge) rivierbeddingen die op Menorca vanuit het binnenland noord- of zuidwaarts naar zee lopen. Ik maak kennis met de houten, vanzelf dichtvallende poortjes die je overal op de Camí terugvindt, en met de buitengewoon goeie wegmarkering van de GR223.

Na korte tijd ga ik even van de Camí af om wél naar de zee te gaan, meer bepaald naar Cales Coves, een reeks inhammen met een honderdtal grotten in de rotswanden, die in de prehistorie als necropool werden gebruikt en in de jaren zestig door hippies voor love en peace en goedkope overnachtingen. Nu liggen er vooral chique zeiljachten en bedelen een paar zwerfkatten om stukjes van mijn picknick.

Terug op de GR223 brengt de weg me door bosjes, stenige vlaktes, en bloemenweides door het meestal vlakke binnenland achter de kust, vaak langs muurtjes en langsheen een paar herenboerderijen.

Tussendoor een vakantieplaatsje en een stuk asfaltweg dat ik aan een hoog tempo achter me laat. Ik verlaat de route weer even om tot aan de zee te lopen, naar de kleine inham van Biniparratx. Daar ga ik even de zee in en eet ik iets.

Het vervolg van de Camí de Cavalls ligt nu meer in de bebouwing, maar op einde van de etappe is er nog een leuk stukje over de rotsen langs de zee en mijn route eindigt in het merkwaardige, zeer witte dorpje Binibiquer of Binibeca Vell.

In de jaren zestig werd het dorpje op een landtong gebouwd als een toeristisch vissersdorpje in de stijl van het eiland; een beetje om aan te tonen dat je toeristen niet per se moest lokken met kusten vol lelijke hoogbouw zoals elders in Spanje. De huisjes zijn verblindend wit, de straatjes nauw, de lijnen natuurlijk gebogen.

Eigenlijk is het dorpje, ondanks zijn kunstmatig karakter, best geslaagd. En hoewel het een topbestemming is voor dagjestoeristen, wonen er eigenlijk gewone mensen, die liever hebben dat het stil is en niet iedereen voortdurend hun huis binnen kijkt. ♦